LES 1

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema: Diverse vormen van gaan en lopen
    Materiaal: Handtrom

    Inleiding Verkennen van de gymzaal door middel van een spel
    U laat de leerlingen de zaal verkennen door hen verschillende loopopdrachten te geven. De leerlingen maken hierbij gebruik van de lijnen die in de zaal staan. Wanneer er geen lijnen in de zaal staan, dan tekent u die met kleurkrijt op de vloer.
    U kunt de leerlingen de volgende loopvormen laten uitvoeren:
    - Loop vooruit / achteruit op de rode lijnen.
    - Loop zijwaarts over de blauwe lijnen.
    - Zet grote passen op de gele lijnen.
    - Hup op de gele lijnen.

    Kern Verschillende loop- en springvormen oefenen
    U laat de leerlingen op het ritme van de handtrom verschillende loop- en springvormen oefenen. Ze lopen met de klok mee. Eerst wordt iedere loopvorm apart behandeld en uitgevoerd.
    Bijvoorbeeld:
    - grote passen nemen.
    - rennen
    - huppelen.
    Wanneer u stopt met het slaan op de trom staan de leerlingen stil.

    Spel Reactiespel
    De leerlingen lopen op het ritme van de trom. U geeft aan op welke manier de leerlingen moeten lopen. U gebruikt drie verschillende loopvormen. Wanneer u stopt met het slaan op de trom staan alle leerlingen stil. U noemt een andere loopvorm en de leerlingen lopen op die manier verder.

    Extra handicap: Als de trom stil is gaan de leerlingen meteen op de grond zitten. Wie doorgaat is af en moet even aan de kant gaan zitten.

    Afsluiting Moeder, moeder hoe laat is het?
    De leerlingen staan achter een lijn en u bent 'de moeder'. De leerlingen vragen aan moeder hoe laat het is en u noemt een heel uur. De leerlingen nemen zoveel stappen als het aantal genoemde uren. Wanneer het bedtijd is moet iedereen terug achter de lijn, terwijl moeder de ondeugende kinderen probeert te pakken (tikken).



    LES 2

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema: Diverse vormen van gaan en lopen
    Materiaal: Blokfluit

    Inleiding Loopvormen
    De leerlingen zingen het lied Wie niet lopen wil.... Ze lopen hierbij met de klok mee door het lokaal. Het lopen wordt afgewisseld met allerlei andere bewegingsvormen zoals:
    - huppelen
    - springen
    - kruipen
    - rennen
    - hinkelen
    - zijwaarts rollen
    - schuiven
    - etc.

    Wie niet lopen (..... vul maar in) wil,
    wie niet lopen wil,
    wie niet lopen wil,
    staat stil.

    Kern Bewegen door de zaal en zingen
    We zingen het lied We maken een kringetje van jongens en van meisjes..... De leerlingen gaan in een kring staan en u speelt het lied nogmaals op de blokfluit. Er wordt afgesproken dat de leerlingen door de zaal mogen rennen of huppelen (afhankelijk van wat er is afgesproken). Wanneer u het liedje op de fluit gaat spelen, dan zingen de leerlingen het lied en gaan ze in een kring staan. Dit wordt een paar keer herhaald.

    We maken een kringetje van jongens en van meisjes,
    we maken een kringetje van tra-la-la,
    maak nu een buiging, maak nu een buiging,
    bij de hand, bij de hand, pak je vriendje bij de had.

    Spel Kringspel
    De leerlingen gaan in een kring zitten. Nu kan er een eenvoudig kringspel gedaan worden. Bijvoorbeeld:
    - Zakdoekje leggen
    - Een klein zigeunermeisje
    - Ik heb een brilletje
    - Wie is er van plaats veranderd?
    - Voelen wie er voor je staat, etc.

    Afsluiting Kringspel
    - Hoeveel leerlingen zitten er achter je?
    - Hoeveel leerlingen kruipen er onder je benen door?
    - Tik, tik wie ben ik?
    - Wie ligt er onder de deken?



    LES 3

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema: Diverse vormen van gaan en lopen
    Materiaal: Handtrom

    Inleiding Schipper mag ik overvaren?
    De leerlingen spelen het spel Schipper mag ik overvaren? Hierin worden verschillende loop - en bewegingsvormen geoefend. Eventueel kan het al met aftikken gedaan worden.

    Schipper mag ik overvaren ja of nee,
    moet ik dan ook geld betalen ja of nee,
    Hoe (.... bewegingsvorm in vullen en leerlingen steken op die manier over.)

    Kern Uitwerken van de verschillende loop - en bewegingsvormen
    U bepaalt door het ritme van de handtrom hoe de leerlingen zich bewegen door de zaal. U kan de vormen mondeling noemen en vervolgens voeren de leerlingen de opdracht uit. Wanneer er een harde tik op de trom gegeven wordt, moeten de leerlingen bijvoorbeeld gaan zitten, liggen, omdraaien, in de lucht springen, etc. De leerlingen moeten dus snel reageren.
    Er kunnen nog 'doe-alsof-bewegingsvormen' worden uitgebeeld. Zoals:
    - Loop als een beer
    - Loop als een eend
    - Spring als een kikker, etc.

    Spel Ik tegen ik
    De leerlingen gaan in tweetallen bij elkaar staan. U noemt lichaamsdelen op die tegen elkaar gedaan moeten worden. Enkele voorbeelden zijn:
    - Arm tegen arm
    - Been tegen been
    - Neus tegen neus.

    Wanneer dit goed lukt, wordt het moeilijker gemaakt door bijvoorbeeld het volgende te doen:
    - Been tegen rug
    - Neus tegen buik
    - Teen tegen bil.

    Wanneer dit goed gaat, kan er nog een reactie-oefening aan vastgeplakt worden. Wanneer u roept 'Ik tegen ik' dan wisselen de leerlingen van vriendje.

    Afsluiting Raadsels rondom lichaamsdelen
    U laat de leerlingen raadseltjes rondom lichaamsdelen verzinnen en de overige leerlingen raden het antwoord.
    Ook kunt u de leerlingen dieren laten uitbeelden. De overige leerlingen moeten aan de manier van lopen kunnen raden om welk dier het gaat.



    LES 4

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema: Diverse vormen van gaan en lopen
    Materiaal: Pittenzakken en banken

    Inleiding Diverse loop- en bewegingsvormen
    De leerlingen bewegen op verschillende manieren door de zaal. Ze kunnen bijvoobeeld:
    - Lopen (vooruit / achteruit)
    - Springen (hoog / ver)
    - Kruipen ( vooruit / achteruit)
    - Hurken (lopen / springen), etc.

    Als overgangsspel tussen de Inleiding en de Kern kan het spel We maken een kringetje van jongens en van meisjes.... gespeeld worden (zie les 2).

    Kern Pittenzakken gebruiken
    De leerlingen zitten met hun ogen dicht op banken. Ze leggen hun benen op de banken. Er wordt nu een pittenzak op hun hoofd gelegd. Wanneer iedereen er een heeft, wordt er even besproken wat je allemaal met een pittenzak kan doen (en wat perse niet!). Daarna gaan de leerlingen allerlei bewegingsvormen uitproberen waarbij ze de pittenzak gebruiken. Verschillende vormen worden benadrukt en met de hele groep geoefend.

    Spel Kikker in de vijver
    Er worden vier banken in een vierkant gezet of er wordt een mat neergelegd. Dit is de vijver en er zitten één of meerdere kikkers (leerlingen) in. Deze willen een schone vijver hebben, maar de leerlingen gooien er allemaal rotzooi in. Hiervoor gebruiken de leerlingen pittenzakken. De kikkers gooien de rotzooi uit de vijver en de leerlingen leggen het weer in de vijver. Krijgen de kikkers de vijver schoon?

    Afsluiting Kringspel
    Als afsluiting van deze les kunt u een van de volgende twee spelen doen:
    - Hoeveel pittenzakken ligger er achter je?
    - Pittenzak leggen, niemand zeggen..... (vgl. Zakdoekje leggen).



    LES 5

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema: Stuit-, rol-, werp- en vangvormen
    Materiaal: Grote ballen en blokjes

    Inleiding Warming-up
    U geeft de leerlingen een warming-up door hen verschillende loop- en bewegingsvormen te laten uitvoeren. U kunt hierbij de volgende liedjes gebruiken:
    - Wie niet lopen wil...
    - Schipper mag ik overvaren?
    - Moeder, moeder hoe laat is het....

    Kern Oefenen met stuiten, rollen werpen en vangen
    U deelt de grote ballen uit. De leerlingen mogen hiermee gaan experimenteren. Oefeningen die hieruit voortkomen kunnen benadrukt worden en klassikaal geoefend worden.
    De leerlingen zoeken nu een plaatsje in de zaal, waar ze voldoende ruimte hebben om de volgende vormen gerichter te oefenen:
    - stuiten
    - stuit-klap-vang
    - gooien
    - gooi-klap-vang
    - tegen de muur aangooien en vangen (onderhands)
    - rollen en er achteraan lopen
    - rollen en de bal inhalen.

    Hierna vormen de leerlingen tweetallen. Ze zorgen ervoor dat ze op één lijn staan met de andere tweetallen. Vervolgens doen ze de volgende oefeningen:
    - rollen naar elkaar
    - gooien en vangen naar elkaar
    - iedere leerling heeft een blok. Met de bal proberen ze het blokje van de tegenstander omver te rollen.

    Afsluiting Hoe vaak hoor je de bal stuiten?
    Een leerling staat met zijn rug naar een tweetal toe. Dit tweetal gooit de bal over met een stuit. De leerling moet raden hoe vaak de bal op de grond gestuit heeft.



    LES 6

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema: Diverse vormen van gaan en lopen.
    Materiaal: Hoepels, handtrom (of cassetterecorder).

    Inleiding Lopen en bewegen tussen de hoepels
    In de zaal liggen hoepels verspreid. De leerlingen lopen op het ritme van de handtrom (of muziek uit de cassetterecorder) tussen de hoepels door en gaan bij stilte (muziek uit) zo snel mogelijk in een hoepel zitten. Tussen de hoepels worden verschillende loop- en bewegingsvormen uitgevoerd.

    Kern Reactiespel met hoepel
    Er wordt een reactiespel gedaan met de hoepel. U geeft allerlei korte opdrachten aan de leerlingen met betrekking tot de ruimtelijke oriëntatie ten opzichte van de hoepel. Bijvoorbeeld:
    - twee voeten in de hoepel
    - één voet in de hoepel, één voet buiten de hoepel
    - met je tenen tegen de buitenkant van de hoepel
    - ga over de hoepel heen liggen.

    De leerlingen mogen nu met de hoepels gaan experimenteren. Zinvolle vormen worden extra benadrukt en geoefend. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn: rollen, hoepelen om het lichaam, kruipen door de hoepel.

    Afsluiting Hoepels
    U kunt deze les weer op drie manieren afsluiten namelijk:
    - Stoelendans met hoepels. De hoepels vervangen de stoelen. Gebruik hierbij de handtrom of de cassetterecorder.
    - Een leerling zit met zijn ogen dicht en zijn rug naar de overige leerlingen toe. Deze leggen zachtjes hoepels achter hem neer. De leerling moet raden hoeveel hoepels er achter hem liggen.
    - Idem, alleen leggen de leerlingen de hoepels nu om de leerling heen. Vervolgens raadt deze hoeveel hoepels er om hem heen zijn gelegd.



    LES 7

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema: Verkennen van groot materiaal
    Materiaal: Al het groot materiaal dat in de zaal aanwezig is.

    Inleiding Verkenning van het materiaal
    De leerlingen lopen tussen het grote materiaal, dat u heeft uitgezet, door. De leerlingen krijgen even de tijd om te kijken wat er allemaal staat en wat het is. Sommige toestellen hebben wat uitleg nodig. U geeft die uitleg terwijl iedereen kijkt en luistert. (Let u erop dat de matten die bij de toestellen liggen niet als bedjes gebruikt worden!!)

    Kern Uitproberen van materiaal
    De leerlingen mogen de toestellen op eigen houtje uit gaan proberen. Wijs hen erop dat ze elkaar niet opjagen en dat ze elkaar helpen waar dat nodig is. Stimuleer de leerlingen en benadruk leuke en veilige oefeningen.

    Afsluiting Oefeningen voordoen
    U laat afsluitend enkele leerlingen een door hen gevonden, leuke veilige oefening voordoen. Eventueel kunt u ook, als er genoeg plaats is in de zaal, een rustig kringspel doen.



    LES 8

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema: Rollen en bokspringen
    Materiaal: Vier matten en bij iedere mat vier of vijf hoepels

    Inleiding Reactie-oefening
    De leerlingen bewegen zich tussen de matten en de hoepels door. De opdracht luidt als volgt: 'Wanneer je één tik op de trom hoort, dan ga je op een mat zitten. Wanneer je twee tikken hoort, dan ga je samen met je vriendje in een hoepel staan.'

    Kern Rollen en bokspringen
    Vervolgens gaat u rollen en bokspringen met de leerlingen. Voor het rollen deelt u de groep in vieren. Op de mat wordt een koprol geprobeerd. Via de hoepels springen de leerlingen terug en sluiten achteraan. Leerlingen helpen elkaar waar dat nodig is. Wie niet durft, mag zijwaarts over de mat rollen of kruipen. De leerlingen die nog hulp nodig hebben, zitten achter de eerste twee matten. U zit hiertussen om hulp te verlenen.
    Bij het bokspringen maakt één leerling uit elke groep zich klein op de mat. De andere leerlingen van de groep plaatsen hun handen op zijn rug en springen over hem heen.

    Afsluiting Spel
    U kiest een rustig spel zoals:
    - Tik, tik wie ben ik?
    - Wie ligt er onder de deken?



    LES 9

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema: Allerlei vormen van lopen, huppelen, kruipen, sluipen e.d..
    Materiaal: Handtrom, bellenraam of cassetterecorder. Per kleuter een hoepel.
    Organisatie: Hoepels liggen door de zaal verspreid. Bij het hoepeldraaien (opdracht 5) kunt u de leerlingen in verband met ruimtegebrek op kleur laten draaien.

    Inleiding Bewegen tussen de hoepels door
    De hoepels liggen verspreid door de zaal. Op het ritme van de handtrom / bellenraam / muziek bewegen de leerlingen zich door de zaal. Wanneer er niets meer te horen is gaan ze in een hoepel zitten. Dit wordt een aantal keren herhaald.

    Kern Opdrachten met en hoepel
    De hoepel waar de kleuter als laatste tijdens de Inleiding in zit, wordt nu zijn huisje. U geeft de leerlingen een aantal opdrachten.
    1 Speurtocht: Laat de leerlingen door de zaal lopen. Op uw teken moeten ze naar hun huisje terug.
    2. Onderzoeken: ER wordt op verschillende manieren rondom het huisje gelopen, zoals sluipen als een wolf, huppen als een vogel, kruipen als een poes, etc. Leg hierbij ook accenten op vooruit, achteruit, zijwaarts. Wie kan nog meer dieren laten zien?
    3. Spelen: Wanneer het ritme van de handtrom klinkt, zoek je één vriendje en je gaat hand in hand de beweging uitvoeren. Pas op voor de huisjes en de andere leerlingen. Wanneer er geen geluid meer is, ga je terug naar je huisje. Als er opnieuw een geluid klinkt, dan zoek je een nieuw vriendje.
    4. Plassen springen: Alle hoepels worden in een lange slinger gelegd. Eventueel worden er nog wat extra hoepels bij gelegd. Spring nu van plas, naar plas maar let wel op dat de hoepel leeg is waar je in springt.
    5. Hoepel draaien: Pak allemaal een hoepel en zoek een vrij plaatsje. (De overige hoepels worden weer door u weggelegd.)
    Nu zetten de leerlingen de hoepel loodrecht op de grond en proberen hem rond te tollen.
    - Welke hoepel draait het langst?
    - Wie kan om de hoepel heenlopen terwijl die draait?
    - Wie kan de hoepel draaiende houden (opnieuw aanzetten)?
    - Wie kan de muur / de bank / het raam aantikken voordat de hoepel stil op de grond ligt?

    Afsluiting Hoepelspel
    Als afsluiting van de les kunt u kiezen uit twee spelen:
    - Hoepeldans (spelregels zoals bij stoelendans).
    - Hoepeloverlopen. Dit gaat als volgt. Leg aan één kant van de zaal een rij hoepels. Aan de andere kant staan de leerlingen. Op een teken wordt er naar de overkant gerend (of gehuppeld of gehinkeld, etc.). Hier proberen de leerlingen een hoepel te bemachtigen. U haalt telkens een paar hoepels weg. De leerlingen die af zijn, zitten langs de kant.



    LES 10

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema:
    Rollen met krantenballen
    Materiaal:
    Handtrom en krantenballen

    Inleiding Bewegen door de zaal
    In de zaal liggen verschillende kranten. De leerlingen bevinden zich in krantenland. Op het ritme van de handtrom bewegen de leerlingen zich door de zaal (rennen, huppelen, springen, hinkelen, kruipen, zijwaartse galop, etc.). De kranten mogen niet aangeraakt worden. Dan wijst u een aantal leerlingen aan die krantenland mogen opvouwen en in een hoekje weg mogen leggen. De rest van de leerlingen gaat in een kring zitten.

    Kern Rollen met krantenballen
    U zit in het midden en heeft een geheimzinnige doos (beplakt met kranten). Hierin zit een 'krantenland-voorwerp'. De leerlingen mogen er mee spelen als ze er zuinig mee zijn. In de doos zitten krantenballen (prop van kranten die bij elkaar gebonden zijn met plakband).

    U rolt naar elke leerling een bal. Vervolgens experimenteren de leerlingen met de krantenbal. Ze mogen er NIET mee tegen een muur krassen! Vormen die zullen ontstaan zijn rollen, voorzichtig schuiven, stuiteren, betasten, omhoog gooien, ver gooien, schoppen, koppen en slaan.

    Hierna geeft u de leerlingen enkele opdrachten:
    - Rol de bal voor je uit met twee handen en blijf erachter.
    - Rol de bal vooruit afwisselend met je linker- en rechterhand.
    - Rol de bal naar voren zonder je handen te gebruiken.
    De leerlingen bewegen hierbij door de vrije ruimte.

    Na deze oefeningen gaan alle kleuters aan de lange kant van de zaal staan. Vervolgens voeren ze de volgende opdrachten uit:
    - Rol de bal met twee handen naar de overkant en probeer er achter te blijven.
    - Rol de bal met twee handen naar de overkant en probeer er eerder te zijn.
    - Rol de bal met twee handen naar de overkant en laat hem tussen je benen doorrollen.

    Afsluiting Tikspel
    U sluit de les af met een spel. Er worden twee tikkers aangewezen. Eén tikker tikt de leerlingen en één tikker pakt de krantenballen af. Wanneer een leerling getikt wordt, gaat deze met zijn benen in spreidstand staan. Een andere leerling kan hem bevrijden door een krantenbal onder zijn benen door te rollen. Wanneer de ballenpakker de bal van een leerling heeft afgepakt, kan deze leerling niemand meer bevrijden. De ballen worden verzameld in een doos.



    LES 11

    Lestype: Klassikale les
    Lesthema:
    Lopen, huppelen, hinkelen
    Materiaal:
    Linten van ± 75 cm in zes kleuren (gemaakt van crêpepapier met een wasknijper eraan om aan vast te houden).

    Inleiding Warming-up
    U geeft de leerlingen de volgende opdrachten:
    - Ren door de zaal en zwaai met één arm.
    - Ren door de zaal en zwaai met de andere arm.
    - Ren door de zaal en zwaai met twee armen tegelijk.
    - Ren door de zaal en zwaai met twee armen ongelijk.
    U herhaald deze opdrachten, maar nu moeten de leerlingen achterwaarts zwaaien. Het rennen kunt u eventueel afwisselen door huppelen, springen, etc.

    Kern Oefeningen met een lint
    U deelt de linten uit. Vervolgens doet u het zwaaien met het lint voor. De leerlingen moeten de wasknijper vasthouden en dan ermee rondzwaaien. De leerlingen zoeken een eigen plekje en u laat ze even experimenteren. (Wanneer de groep te groot is, kunt u deze oefeningen op kleur laten doen.)
    De volgende oefeningen worden gedaan:
    - Grote zwaaien maken met je ene arm, daarna met je andere arm (voorwaarts en achterwaarts). De zwaaien worden naast het lichaam gemaakt.
    - Grote zwaaien maken boven je hoofd (armen afwisselen, richting afwisselen).
    - Door de zaal rennen en het lint achter je aan laten slingeren. (U kunt dit eventueel in twee groepen laten doen in verband met de drukte).
    - Door de zaal rennen en het lint draaiend met je meenemen.
    - Rennen kan afgewisseld worden door huppelen, huppen, hinkelen, etc.

    Vervolgens gaan de leerlingen aan de lange kant van de gymzaal naast elkaar staan en worden de volgende oefeningen gedaan:
    - Op uw teken worden de linten naar de overkant gegooid. Dit gebeurt tegelijk (of op kleur) om een mooi effect te krijgen.
    - Idem, alleen wordt het lint nu over de schouder weggegooid.

    Spel Lintenspel
    De groep wordt in een even aantal groepjes verdeeld. De leerlingen zitten achter elkaar achter een lijn. In het midden van de zaal legt u hoepels neer. Op uw teken rent de eerste leerling naar het midden, legt zijn lint in de hoepel en rent verder naar de overkant. Wanneer die leerling zit, mag de volgende starten.

    Afsluiting Raadspel
    Ter afsluiting van de les doet u het volgende spel. Er liggen vijf linten in verschillende kleuren in een hoepel. Eén wordt er weggehaald. Welke kleur is weggehaald?