Jan Klaassen is ziek
POPPENKASTSPEL: Jan Klaassen is ziek
De kinderen zitten rond de poppenkast. De leerkracht speelt het poppenkastverhaal. De volgende onderwerpen staan in dit verhaal centraal:
Eerste akte
Verkoudheid gaat gepaard met verschillende symptomen.
- Jan Klaassen vertoont allerlei ziekteverschijnselen maar weet niet wat hem mankeert.
- Hij ontmoet de politieagent die echter ook niet weet wat Jan heeft. De burgemeester wordt gewaarschuwd.
- De burgemeester belt bezorgd het ziekenhuis.
Tweede akte
Verkoudheid is geen ernstige ziekte, maar je moet wel bepaalde maatregelen nemen.
- De dokter in het ziekenhuis constateert verkoudheid en lacht Jan uit.
- Jan krijgt een aantal aanwijzingen van de dokter en wordt naar huis gestuurd.
Derde akte
Als je verkouden bent vorm je een infectiebron voor anderen. Goed je neus snuiten is belangrijk.
- Thuis krijgt Katrijn het hele verhaal te horen.
- Jan Klaassen is blij weer thuis te zijn en wil Katrijn een kusje geven. Katrijn wil dat niet hebben, want dan wordt zij ook verkouden.
- Katrijn leert Jan om zijn neus goed te snuiten.
Jan Klaassen is ziek
Eerste akte
P: Dag kinderen, ik ga zo maar weer eens kijken of alles goed gaat in de poppenkast. Ja, ja, ik ben politieagent. Ik moet zorgen dat alles goed gaat. Zijn jullie allemaal op school?
KindJa.
P: Mooi zo, dat is goed. Nou ik ga maar eens kijken wie ik allemaal tegen kom vandaag.
(Jan Klaassen komt op)
P: Dag Jan Klaassen.
JK: (hoest en niest) Dag politieagent.
P: Wat zie jij er gek uit Jan Klaassen! Wat is er met Jou?
JK: Ik weet het niet, ik ben zo raar; ik maak zo'n gek geluid. Hoor maar. (hoest en niest)
P: O, Jan Klaassen, kijk eens wat er nu gebeurt. Er komt water uit je neus. En er komen ook druppels uit je ogen. Huil je? Heb je verdriet?
JK: Nee hoor, ik huil niet, ik heb helemaal geen verdriet.
P: Dat is gek, dat is heel gek. Ik ben politieagent en ik moet zorgen dat hier alles goed gaat. En dit is niet goed. Nee hoor, dit is helemaal niet goed.
JK: Ik heb ook een heel raar hoofd. Het is heel groot en heel zwaar.
P: Laat eens kijken. Nee hoor, ik zie niets. Je hebt geen groot hoofd.
JK: En ik heb hier pijn en hier en hier. (wijst overal)
P: Laat eens kijken. Nee hoor, ik zie niets. Geen bloed.
JK: (hoest en niest)
P: Nou, nou, dat is een raar geluid. Dat vertrouw ik niet. Weet je wat, ik roep de burgemeester. Die is heel knap. Die zal het vast wel weten.
(Politieagent af. Kinderen roepen de burgemeester)
(Burgemeester op)
B: Wat is er kinderen? (lacht als hij JK ziet) O, Jan Klaassen, wat zie jij er gek uit! Je hebt een rode neus en er komt water uit. Ga maar gauw naar huis, ga maar lekker eten, dan zal het wel overgaan.
JK: Ik lust geen eten.
B: Wat is dat nu, lust je geen eten? Dat is gek, dat is heel gek. Hoe kan dat nou? (denkt na) O, dan weet ik het Jan Klaassen, dan ben je ziek! Ja hoor, jij bent ziek.
B: Tjonge jonge, Jan Klaassen is ziek. Wat moet ik nu doen? Weet je wat Jan Klaassen, ik bel het ziekenhuis. Zo, hier is de telefooncel. (hij draait een nummer) 080225073447276.
Zo, dat is wel genoeg.
Met het ziekenhuis? (verbaasd) Nee?
Oh, met de timmerman? (schrikt)
Oei nee, dat moet niet. Jan Klaassen moet niet. Jan Klaassen wil niet getimmerd worden. Stel je voor, met spijkers en een hamer! Nee hoor, doe dat maar niet. (hangt gauw de haak weer op)
Nog eens proberen. (draait weer een nummer)
Met het ziekenhuis? Dat is goed. Met de burgemeester.
Ziekenhuis, Jan Klaassen is ziek, erg ziek. (legt direct de haak er weer op) Zo, ik heb het gezegd. Nu zul je wel beter worden Jan Klaassen. Ben je al beter?
(Luide sirene van een ziekenwagen, toeoet, toeoet)
B: Wat is dat nu, wie maakt er nu zoveel lawaai? Ik ga eens kijken.
(Burgemeester af)
JK: Ik ga ook eens kijken.
(Jan Klaassen af)
(ziekenwagen raast met luide sirene door de poppenkast, toeoet)
(Zuster op)
Z: Kinderen weten jullie waar Jan Klaassen is? Hij is ziek. Ik zoek gauw verder.
(Zuster af, Jan Klaassen op)
JK: Kinderen, het was een ziekenwagen. Een hele mooie, met licht bovenop en een.....(schor en piepend) toeoet (JK niest) He, ik kan het haast niet nadoen.
(Zuster op)
Z: Ha, daar is Jan Klaassen, jij bent ziek. Je moet mee naar het ziekenhuis.
(Ze gaan samen op weg)
Tweede akte:
Z: Zie zo, nu zijn we bij het ziekenhuis. Hier blijven staan Jan Klaassen, want jij bent ziek. Ik ga de dokter roepen.
(Zuster af)
JK: He, he, dat ging hard.
(Dokter op)
D: Zo, zo Jan Klaassen, wat heb jij? Heb jij je been gebroken?
JK: Nee hoor.
D: Heb je dan je arm gebroken?
JK: Nee hoor.
D: Wat heb je dan? Kinderen weten jullie wat Jan Klaassen heeft?
(Kinderen vertellen de symptomen)
D: O, domme Jan (lacht JK uit).
Ik hoor het al. Weet je wat jij hebt? Je bent verkouden. Domme Jan, je bent erg verkouden.