PROJECT PASEN
PROJECT PASEN Inleiding Kringgesprek Zingeving TAALBEHEERSING b) Tegenstellingen c) Rijmoefeningen d) Classifiseeroefeningen Vragen / opdrachten e) Ordenen in de tijd f) Weegoefeningen g) Werken met hoeveelheden OBJECTIVATIE VISUELE DISCRIMINATIE AUDITIEVE DISCRIMINATIE haas paasbrood verf EXPRESSIE b) Maskers maken POPPENKASTSPEL Tafereel 1: Tafereel 2 Tafereel 3 Tafereel 4 VERSJES Een haasje wilde paashaas zijn
Paasetalages kijken.
Zo mogelijk een kippenhok bekijken, dit kan bijvoorbeeld in een kinderboerderij. Waar worden de eieren gelegd?
Wanneer vieren we Pasen?
Wat doen we met Pasen?
Hoe ziet het er buiten uit?
Welke dieren zien we met Pasen?
Wat wordt er gegeten met Pasen?
Hoe worden paaseieren gemaakt?
Voorwerpen en platen, die de kinderen meegenomen hebben, bekijken en benoemen.
Vergelijking paasei - kippenei.
Zijn er nog andere soorten eieren?
Waar legt de kip haar ei.
Waar leggen de vogels hun ei?
Waar worden paaseieren soms neergelegd?
Waar leven hazen?
Verschillen haas - konijn.
a) Sorteren: paashaas - kip.
Laat de kinderen zeggen waar het bij hoort:
kippenhok - mand - karretje - kwast - verf - strik - kuikentje - ei - veren - lange oren - haar - pikken - springen - chocolade -
kakelen - vleugels - stro.
groot ei - klein ei
donkere verf - lichte verf
een kip is groot - een kuikentje is klein
lange oren - korte oren
de paashaas heeft veel eieren - de paashaas heeft weinig eieren.
Laat de kinderen het rijmwoord invullen:
De paashaas heeft het druk, hij maakt de eieren niet...........(stuk).
Er is een paashaasje geboren, het had meteen al lange ........(oren).
Veel eieren krijg je met Pasen, ze worden gebracht door de ........(hazen).
De kip zit op stok, in het kippen ............(hok).
Eieren klein, eieren groot, eieren geel, eieren ..........(rood).
De paashaas heeft voor Jantje een eitje in zijn...........(mandje).
Het paasbrood was heel ...........(groot).
Oh, wat een schrik dit ei heeft geen ............(strik).
Maak twintig kartonnen kaartjes.
Plak op vier ervan een ei.
Plak op vier ervan een ei met een rode strik.
Plak op vier ervan een ei met een groene strik.
Plak op vier ervan een ei met rode stippen.
Plak op vier ervan een ei met groene stippen.
Zijn alle eieren hetzelfde?
Leg alle versierde eieren bij elkaar.
Die horen bij elkaar, want ze zijn allemaal versierd.
Welke eieren liggen er nu nog apart?
Zijn alle versierde eieren hetzelfde?
Leg alle eieren met strikken bij elkaar.
Welk verschil is er bij deze eieren?
Etc.
We onderscheiden:
onversierde en versierde eieren;
eieren met strikken;
eieren met stippen;
rode en groene eieren.
Via het onderwerp Pasen komen op voorjaar?
Gesprek over seizoenen.
Wat gebeurt er in het voorjaar?
Wat groeit en bloeit er?
Hoe is het weer?
Wat voor kleren draag je dan?
Wat gebeurt er daarna? (zomer)
Hoe was het hiervoor? (winter)
Grote en kleine eieren laten maken. Laat de kinderen in de ene hand een klein ei nemen, en in de andere hand een groot ei.
Welke is het zwaarst? Welke is het lichtst? Laten controleren op de weegschaal. Geef de kinderen twee stukjes klei
(ongeveer even groot). Laat van het ene stuk twee eieren maken. Het andere stuk blijft onbewerkt.
Opdracht: Neem in je ene hand de twee eieren, in de andere hand het stuk klei. Wat is het zwaarst? Wat is het lichtst? Of is
het even zwaar? Controleren op de weegschaal.
Geef tien plaatjes met een ei erop (zelf maken of mee laten nemen).
Opdracht: maak van de plaatjes twee groepjes die even groot zijn. De kinderen laten tellen, hoeveel plaatjes ze in het ene
groepje hebben gelegd en hoeveel in het andere. Eén kind laten tellen, de anderen controleren of ze het goed hebben.
Verdere opdrachten: hoe heb je ze verdeeld? Kun je ze ook anders verdelen?
Opmerking: kinderen die al bekend zijn met getalsymbolen (cijfers) kunt u de opdracht geven het cijfer erbij te leggen.
Auditieve oefeningen
Wie weet er een kort woord dat bij Pasen hoort? (Schrijf dit op het bord). Wie weet er een lang woord dat bij Pasen hoort?
(Schrijf dit ook op het bord).
Wie kan er nu een zin maken waarin het korte woord staat?
Wie kan er nu een zin maken waarin het lange woord staat?
Wie kan er nu een zin maken waarin het korte en het lange woord staan?
Schrijf eens een rijtje woorden op het bord of leg ze op een flanelbord. Wijs een letter aan en laat de kinderen dezelfde letter
aanwijzen in andere woorden. Hetzelfde kunt u doen als u een rijtje zinnen opschrijft en de kinderen daarin dezelfde woorden
laat opzoeken.
Welk woord hoort niet in het rijtje thuis?
ei elfje krokus
eierdop kuiken lam
eierlepel strik narcis
zout mandje tulp
suiker chocolade hyacinth
kalf zand kwast
auto krenten viltstift
konijn sukade lint
veulen roomboter oliebol
a) Paamaaltijd
Laat de kleuters zelf eieren en eierdopjes versieren. Dek tafels gezellig in de paassfeer en hou met de kleuters een
paasmaaltijd.
Maak met de kleuters bandmaskers. Een band om het hoofd boven de oren, de andere band om het hoofd om de kin. Laat de
kleuters zelf verder werken. Ze kunnen er bijvoorbeeld hazen van maken.
Titel: Het grote koningspaasei
Personen: Koning, Paashaas, Bakker, Kabouter Smikkel (dief).
De paashaas krijgt de opdracht van de koning een heel mooi paasei te bestellen bij de bakker. De paashaas vraagt steeds bij
de bakker wanneer het ei klaar is. Tenslotte krijgt hij een heel groot en zwaar ei mee.
De paashaas loopt door bos terug naar de koning. Het ei is zo zwaar dat de paashaas uit moet rusten, en hij valt in slaap.
Kabouter Smikkel loopt ook door het bos en vertelt wat hij allemaal lekker vindt. Hij ziet tenslotte de slapende paashaas met
het ei. Hij kan de verleiding niet weerstaan en neemt het ei mee. De paashaas wordt wakker en ontdekt dat het ei gestolen is.
De paashaas zoekt het ei met behulp van de kinderen en ziet tenslotte kabouter Smikkel met het ei. Hij vangt kabouter
Smikkel.
De paashaas laat kabouter Smikkel, als straf, het zware ei naar de koning dragen..
Haasje Langoor niet meer zeuren
haasje Langoor je moet gaan kleuren
alle eitjes 't zijn er veel
moet je kleuren met je penseel.
Een ei rood een ei groen
alle eitjes moet je doen
want ieder kindje uit dit land
wil een eitje uit je mand
daarom ging hij vragen
of hij voor de paashaas
zijn mandjes eens mocht dragen
je bent nog wel een beetje klein
maar je mag me helpen
vind je dat niet fijn