VOGELS IN DE WINTER


    Vogels zijn warmbloedig. Dat wil zeggen dat ze hun lichaamstemperatuur constant en onafhankelijk van de temperatuur van hun omgeving kunnen houden. Om zo weinig mogelijk warmte te verliezen hebben ze een heerlijk warm verenpak. Bovendien kunnen zij hun veren uitzetten, zodat er een isolatielaag van lucht tussen de veren ontstaat.
    Maar hoe kleiner de vogel is, hoe sneller hij zijn warmte verliest en des te meer hij 's winters zal moeten eten om te overleven.
    Er is heel wat brandstof nodig om zo'n vogellijf 's winters op temperatuur te houden. Een kleine vogel moet iedere dag wel twee keer zoveel eten als hij zelf weegt.

    Wenken om aan de denken:
    Bij het voeren van vogels is het volgende belangrijk:

    - Ga pas voeren als het echt nodig is. Dus als het vriest of als er sneeuw ligt.
    - Voer regelmatig en op vaste tijden, bijvoorbeeld vroeg in de ochtend. De vogels hebben dan net een lange, koude nacht achter de rug.
    - Geef geen dingen die slecht zijn zoals zout en kaaskorstjes met plastic. Brood bevat ook nogal wat zout.
    - Houd rekening met katten. Voer op een open plek, zodat de vogels overzicht hebben.
    - Voer niet teveel en zorg ervoor dat er 's nachts geen voer buiten ligt. Dat voorkomt ongewenst bezoek van ratten en muizen.
    - Maak de voederplank regelmatig schoon.
    - Geef de vogels alleen bij droge vorst te drinken. Zolang er sneeuw ligt of de bomen bedekt zijn met rijp, kunnen de vogels zelf water vinden.
    - Water bevriest minder snel als u er een schepje suiker aan toe voegt (geen zout of glycerine!).
    - Bedek het schoteltje met water of drinkbakje met fijnmazig gaas of zet er een omgekeerde bloempot in. De vogels kunnen dan wel drinken maar hebben geen ruimte om een bad te nemen.
    - Wat u kunt bijvoeren: vetbollen, kaas (zonder plastic), ongekookte havermout, zaden, rozijnen, appel - klokhuis (rotte appels), pinda's, gemalen noten, bessen, vogelzaad voor insecteneters.

    Een verhaal: Mieke voert de vogels
    Mieke gaat logeren. Ze mag een nachtje bij oma en opa slapen. Ze staat thuis in de gang te wachten. In haar ene hand heeft ze een rood koffertje. In de andere hand houdt ze Beri, haar beer, vast. Ze is al helemaal aangekleed.
    Ze heeft een warme muts op, een dikke sjaal om en twee heerlijke zachte wanten aan.
    'Zo, jij bent lekker warm ingepakt!' zegt vader tegen Mieke. 'Ik zie alleen nog maar twee ogen, een neus en een mond! Zullen we dan maar gaan?'
    Even later zit Mieke bij vader achterop de fiets. O, wat is het koud buiten! Mieke slaat haar armen om vader heen. Haar handen met de zachte wollen wanten steekt ze diep in vaders zakken. Dat is nog eens warm!
    Met haar wang tegen zijn jas gedrukt, voelt Mieke vader trappen.
    'Win-ter-win-ter,' zingt ze op de maat van vaders trappen, 'win-ter-win-ter-win-ter.....
    Mieke kijkt naar de hoge bomen langs de weg. Hun kale takken steken de grijze lucht in.
    'Pap,' vraagt Mieke, 'hebben bomen het niet koud?'
    'Nee hoor,' zegt vader, 'bomen zijn van hout en hebben het nooit koud!' De koude wind blaast in Miekes gezicht. Nou, zij voelt het wel!
    'Ik zie het huis van opa en oma!' roept vader uit. 'We zijn er al.' Met een reuzenzwaai tilt vader Mieke van de fiets. 'Pap, mag ik aanbellen?' vraagt Mieke. 'Jij mag aanbellen, ik til je wel op!'
    Tring...klinkt de bel. Er komt al iemand aanlopen. Oma doet open. 'Daar zijn jullie al!' roept oma uit en bukt zich om Mieke een kusje te geven. 'Kind,' zegt oma verschrikt, 'wat een koude neus heb jij, kom gauw binnen!'
    In de kamer is het warm. Mieke kijkt rond. 'Waar is opa?' vraagt ze.
    'Opa is in de schuur bezig,' zegt oma. 'Je mag wel even gaan kijken, maar houd je warme muts op, 't is zo koud buiten!'
    'Gr, groe, gr, groe,' klinkt het uit de schuur. Mieke trekt de schuurdeur open. 'Gr, groe, gr, groe...,' doet de zaag.
    'He, daar hebben we onze Miek!' roept opa uit. 'Jij komt me zeker helpen!' Mieke knikt. 'Wat maakt u opa?' vraagt Mieke.
    'Een vogelhuisje Mieke.' zegt opa.
    'Een vogelhuisje?' vraagt Mieke verbaasd. 'Gaan ze daar dan in wonen?'
    'Nee gekkie,'zegt opa, 'geen huisje om in te wonen, maar om in te eten. Een eethuisje! Het is buiten zo koud. De vogels vinden bijna geen eten. Alles is bevroren. Nu moeten wij ze maar wat eten geven, vind je niet?'
    'Wacht,' zegt opa, 'als jij het huisje vasthoudt, dan timmer ik er de laatste spijkers in.'
    Klop, klop, klop. Het huisje is klaar. Het ziet er prachtig uit. Samen brengen ze het naar buiten.
    'Nu het eten nog,' zegt opa. Mieke strooit broodkruimels in het huisje. Opa hangt een snoer met pinda's aan de spijkers. Even later zitten ze binnen rond de tafel. Ze kijken naar het huisje. Zouden de vogels komen?
    'Ik zie er al eentje!' roept opa.
    'Ach,' zegt oma, 'dat is Breedstreep! Kijk maar, Breedstreep heeft een heel brede zwarte streep voorop zijn gele lijfje. Het is net een stropdas!'
    Mieke kan de brede streep goed zien. Vooral als Breedstreep ondersteboven aan de pinda's hangt! Breedstreep tikt met zijn scherpe snavel op de pindadoppen. 'Nu zal Rafeltje ook wel gauw komen,' zegt oma. 'Rafeltje is het vrouwtje van Breedstreep. Het hele jaar wonen ze al bij ons in de tuin. In de lente hadden ze wel tien kleintjes!'
    Mieke kijkt of ze Rafeltje kan vinden. En dan ineens ziet ze nog zo'n vogeltje als Breedstreep in de appelboom.
    'Ja,' zegt oma blij, 'dat is Rafeltje!'
    Er komen nog veel meer vogels. Op de grond pikt een zwarte vogel in een appel. Naast het huisje vechten twee vogels om een korstje brood. Maar als het donker wordt, zijn alle vogels weg.
    Mieke gaat slapen. Ze ligt in bed. Oma stopt haar in. 'Waar zijn de vogels nu?' vraagt Mieke. 'De vogels,' zegt oma, 'zitten nu in de bomen of misschien wel onder de dakpannen van ons huis.' 'Hebben ze het dan niet koud?' vraagt Mieke. 'Nee,' zegt oma, 'ze hebben hun verenpak en ze hebben ook nog een vol buikje. Ze komen de nacht wel door hoor! Ga maar lekker slapen Miek.'
    En weet je waar Mieke 's nachts van droomde? Ze droomde dat ze op een tak van de appelboom zat. In haar hand had ze voer. En weet je wie uit haar hand aten? Breedstreep en Rafeltje!

    Kringgesprek:
    Maak van tevoren twee tekeningen: een sneeuwpop als symbool van de winter en een bloem met een zon als symbool voor de zomer. Verzamel allerlei zomer- en winterkleren in een grote doos met deksel: slippers, trui, muts, bikini, oorwarmers, sjaal, zomerjurk, zonneklep......
    Leg tijdens het kringgesprek de tekeningen naast elkaar op de grond en zet de doos met kledingstukken in het midden van de kring. Het is de bedoeling, dat de kinderen om de beurt een kledingstuk uit de doos nemen en bij de juiste tekening leggen.

    Het maken van een voedertafel:
    Nodig: een (triplex) plank van minimaal 30 x 40 cm, twee latjes van ongeveer 28 cm lang en 2 cm breed, twee latjes van ongeveer 38 cm lang en 2 cm breed, paal van ongeveer 2 meter, conservenblik, gaas.

    Timmer rondom de plank een rand van latjes. Het voer waait er dan minder gemakkelijk af. Laat de latjes op de hoeken niet aansluiten. Dat is handiger bij het schoonmaken. Bovendien loopt smelt- en regenwater beter van de plank af. Boor eventueel nog een paar gaten in de bodem van de plank, zodat het water ook daarlangs kan weglopen.
    Bent u bang voor diefstal of vernieling? Zet dan de plank na schooltijd binnen. Dat gaat heel gemakkelijk, als er aan de onderkant van de plank een conservenblik bevestigd wordt. In een ommezien tilt u de plank van de paal!
    Vergeet niet rondom de paar een stukje kippengaas aan te brengen. Poezen kunnen er dan niet bij. Graaf de paal ongeveer 50 cm in, zodat er ongeveer 1.50 meter boven de grond blijft.
    De voedertafel kan (zonder paal!) ook tegen een muur bevestigd worden.

    Snoep verstandig, eet een (dennen-) appel:
    Nodig: dennenappel, ijzerdraadje, pinda's, hamer, theedoek, boter, zaden.

    Knoop aan de bovenkant van een dennenappel een stevig ijzerdraadje. De kinderen smeren op de dennenappel boter en fijngestampte pinda's. Het is handig de pinda's in een theedoek met een hamer fijn te slaan. Tot slot strooien ze er nog vogelzaden overheen.

    Pindasnoeren:
    Nodig: twintig ongebrande pinda's, stompe naald, stevig draad (bijv. ijzergaren), prikpen met priklap.

    Leg een priklap onder de pinda. Maak met de prikpen een gaatje door de pinda. Rijg vervolgens met een naald de pinda aan een draad. Ieder kind rijgt een snoertje. De kinderen kunnen ook samen een heel lang snoer maken. Om de beurt rijgen ze er een aantal pinda's aan.
    Hebben de mezen de pinda's ontdekt en opgegeten? Laat de kinderen dan de restjes van de pinda's aan het snoer bekijken. De gaatjes die de vogels in de pinda's prikten, zijn daarin nog heel goed te zien.

    Het stellen van vragen over de voedertafel:
    Een voedertafel gedekt met vogellekkers zal ongetwijfeld vroeg of laat vogels aantrekken. Een goede gelegenheid om de kinderen naar vogels te laten kijken. Door het stellen van vragen zien en ontdekken ze bijzonderheden van de vogels.

    - waar zitten de vogels?
    - welke vogel is groot, klein, dik, etc.?
    - hoeveel tel je er?
    - zie je allemaal gelijke vogels?
    - welke kleuren hebben ze?
    - welke vogels zijn bang?
    - welke vogel zou jij willen zijn?
    - zie je een vogel die zijn veren 'dik' maakt tegen de kou?

    VEREN EN KLEREN

    Veren bekijken:
    Nodig: veren (dons- en kleine veertjes zijn verkrijgbaar bij de beddenspecialist), vergrootglazen.

    Vogels zijn dag en nacht buiten. Ze vliegen buiten, ze slapen buiten, ze eten buiten. Dankzij hun verenpak blijven vogels warm. De kinderen bekijken in de ontdekhoek veren, eventueel met een vergrootglas.

    Kleren vergelijken:
    Nodig: de kinderen nemen een van hun handschoenen/wanten mee naar de klas, ijsblokjes.

    De kinderen vergelijken de handschoenen/wanten met elkaar. Deze opdracht is ook mogelijk met laarzen/schoenen.
    - welke kleuren hebben ze?
    - welke zijn van wol of ander materiaal?
    - past de hand van juf/meester in een kinderwant?
    - welke hand is groter: die van juf/meester of van een kind (opmeten)?
    Laat tot slot een kind 1 handschoen aandoen. Leg op beide handen een ijsblokje. Welke hand blijft het warmst?

    CREATIVITEIT

    Een vogelhoek:
    - de inrichting
    Maak een grote voedertafel van hout of karton. Op de voederplank moet genoeg ruimte zijn voor allerlei zelfgemaakte vogels. Zet de voedertafel in een hoek van de klas, zodat de muren gebruikt kunnen worden om allerlei spullen aan op te hangen. Bevestig boven de voedertafel draden, hoepels en klerenhangers. Hieraan komen vogels en andere materialen te hangen.
    Schilder grote bomen op behangpapier en hang ze tegen de muren in de vogelhoek.
    Kleed de vogelhoek aan met grote takken in emmers met zand.
    Een of meer kerstbomen geven helemaal sfeer!

    - een sneeuwbui boven de voedertafel
    Nodig: stevig grijs karton, lange draden (wit of grijs), watten of wit papier of wit katoen (oud sloop of laken).

    Knip uit stevig karton de vorm van een wolk. Maak sneeuwvlokken van kleine wattenplukjes, gescheurd wit papier of geknipt wit katoen. Plak de 'sneeuwvlokken' op draden. Maak de draden aan de wolk van karton vast.

    Een vogel van klei:
    De kinderen maken van klei de vorm van een vogel. Om het helemaal echt te laten lijken, steken ze in de klei een paar veertjes. Maak voor de vogel een voerbakje van klei. Doe wat echte vogelzaden in het bakje.

    Een vogel van een lucifersdoosje:
    Maak twee evengrote tekeningen van een vogel. Teken op de vogels ogen - let op de juiste plaats - en vleugels. Plak een lucifersdoosje tussen beide vogels. De vogel kan nu staan. Zet de vogel op de voedertafel of op een plekje op de grond.

    Een hand in een want:
    Ieder kind trekt zijn hand om en zijn want of handschoen. Vervolgens wordt de tekening van de want of handschoen over de tekening van de hand geplakt.
    Hang een groot stuk behangpapier op kleuterhoogte aan de muur. Ieder kind legt zijn hand op het behangpapier en trekt deze om (houd ruimte tussen de tekeningen). Schrijf de naam op iedere getekende hand. Deel tekenpapier uit. Ieder kind legt zijn want/handschoen op het tekenpapier en trekt de want om. Versier de want met gekleurd papier of viltstiften. Knip de want uit. Leg de tekening over de hand op het behangpapier. Plak alleen de bovenkant vast met een reepje plakband. Wie zijnhand zit in de want? Til d want maar op!



    Kijk ook bij
    Winterwerkjes
    Winteractiviteiten
    Project sneeuw
    Verhaal op de slee
    Verhaal over sneeuw
    Wintergedichtjes
    Iglo en Eskimo
    Schaatshoek
    Eskimo-hoek met verteltafel